Bijschrift


2297049.jpg

Haar ogen hebben zich vastgebeten in een barst in de muur, een viesbruine spleet met aangekoekt donker wondvocht van jaren her. Studentenleed dat uit de muren sijpelt.
“Ja”, zegt ze tegen de mevrouw. En ook “Uhhuh”. Met haar hoofd maakt ze voortdurend knikkende bewegingen, net als het hondje dat oma vroeger op de schouw had staan. Maar haar blik laat de barst niet los. Geen moment.
“Te weinig geoefend”, zegt de mevrouw.
“Niet gedreven genoeg”, krast de mevrouw.
“Amuzikaal”, tiert de mevrouw. “Een overduidelijk gebrek aan talent.”
Ze onderbreekt het headbangen even om de frêle schouders op te halen. Maar met die klopboorblik blijft ze verder drillen in de barst. Twaalf jaar is ze, en meedogenloos.
“Wat ik me afvraag,” meesmuilt de mevrouw, “is wat ze hier eigenlijk komt doen. Het lijkt haar toch niet te interesseren.”
“Van ons hoeft het niet”, zegt K. “Ze studeert viool omdat ze dat zelf wil. Voor haar plezier.”
“Wel, ze bakt er niets van”, schampert de mevrouw. “En natuurlijk is ze niet geslaagd. Ik wist al maanden geleden dat ik haar zou moeten buizen.”
Ze maakt zich boos, de mevrouw. “Kijk, hoe ze er hier nu bij staat”, meesmuilt ze. “Precies tegen haar goesting. Ik vind dat we een gesprek moeten hebben.”
“Dat hebben we nu toch?”, zegt K.
“Een serieus gesprek”, zegt de mevrouw. “Maakt u maar een afspraak met me, want nu heb ik geen tijd.”
“Laat maar zitten”, zegt K.
Dat vindt de mevrouw niet leuk. Ze raast nog een tijdje door.
Samen lopen ze naar buiten, moeder en dochter. “Wat heeft ze allemaal gezegd, mama?”, vraagt ze. “Ik heb niet eens geluisterd.”
“Ach”, zegt K.
“Wat een trut”, zegt ze. “Ik wil toch geen concertvioliste worden?” In haar 12 jaar oude ogen flitst staalhard grijs. Het soort dat muren doet barsten. Buiten breekt de zon door de wolken.

G.H.

 

2273952.jpg
Foto: Geert Huysman

De lijn Antwerpen-Gent. Warme lijven, dicht opeengepakt. Voortdenderend bij gratie van de nationale maatschappij. Zurig zweet, de stank van apathie. Nietszeggende gesprekken die ternauwernood het verlangen naar thuis camoufleren. De trein is altijd een beetje lijden.
Links. Een lange Hollander biedt een dame op leeftijd zijn zitplaats aan. Elegant mantelpakje, grijzig kapsel in de vorm van een motorhelm. “Wat galant. U bent nog een echte heer”, zegt ze, tevreden een grote handtas op haar schoot nestelend.
“Ik doe dit alleen voor knappe dames als u”, glimlacht hij.
“En ik ben nog wel overgrootmoeder”, kirt ze.
“Dan bent u beslist ouder dan vijftig. Dat verrast me.”
Ze bloost: “Er staat al heel lang een zeven voor. Vergis u niet.”
Rechts. Twee jonge meisjes. “Moet je horen wat hier staat”, zegt de een, zwaaiend met haar tijdschrift. “Mannen zijn van oudsher jagers, ook en vooral in de liefde.”
Haar vriendin werpt haar een blik vol walging toe. “Moet ik jongens op mij laten jagen? Ik mag er niet aan denken. Ik jaag liever zelf. Eerlijk gezegd, ik doe niets anders.”
Beeld dat zich opdringt aan het geestesoog: meisje wurmt zich bronstig snuivend door een dansende mensenmassa. Haar ogen flitsen in het rond, een geile Diana op zoek naar gewillig mannenvlees.
“Misschien, komt het er gewoon op aan jongens te laten denken dat ze op je jagen”
, zegt de eerste nadenkend.
“Maar natuurlijk”, knikt de geile Diana opgelucht. “Dat is het.”
“Het ene spoorwegstation is hier al troostelozer dan het andere”, zegt de metgezel van de lange Hollander. “Gruwelijk gewoon.”
“Grijs en grauw”, beaamt de lange ernstig. “Dat is België.”
De dame met het motorhelmkapsel knijpt haar lippen samen tot een stijve grimas. Ze heeft haar handtas nog geen moment los gelaten.

G.H.

2007-06-04-copy.jpg

Foto: Inside the ordinary - 3

Hij is haar vrolijke vampier. Elke avond, na zonsondergang, verschijnselt hij waanzinnig gillend in haar kamertje. Met het donsdeken tot net onder de neus, ligt ze hem op te wachten.
“Neen, ik wil niet”, zegt ze, en zelfs het licht van de witte maan deinst terug voor de zilveren kracht van haar blik. Maar ze bedoelt ja.
Altijd bedoelt ze ja.
Hij duikt naar beneden, de slagtanden ontbloot. Graaft zich in met zijn vampierensnuit, tot aan dat zachte, warme plekje onderaan haar hals. Daar laaft hij zich aan haar geur en haar lach.
“Stop”, beveelt ze, maar ze bedoelt ga door.
Altijd bedoelt ze dat.
Echo’s van haar geschater druipen in dikke, taaie druppels van de witte maan. Haar hielen, hard en eeltig na al die uren balletklas, slaan een wilde roffel op de matras. “Hou op!”, eist ze. Maar hij is nog lang niet voldaan. Als een drenkeling klampt hij zich vast aan die geur en die lach. Tot hij haar lenige lijf niet meer in bedwang kan houden en ze zich zegevierend weet los te rukken.
“Ha!”, triomfeert ze, en zelfs de witte maan wordt even verblind door het zilver in haar blik.
Achteraf slaat ze haar armen om zijn nek en vraagt hem een verhaaltje te vertellen. “Daar is het nu te laat voor”, zegt hij. “Je moest eigenlijk allang liggen snurken.”
“Had jij me maar niet opnieuw klaarwakker moeten maken.”
“Wij lachvampieren kunnen niet overleven zonder onze dagelijkse portie vrolijkheid”, zegt hij. “Daar is niets aan te doen.”
“Morgen niet”, roept ze hem na als hij de kamer uitloopt. “Morgen wil ik het echt niet.
Maar ze bedoelt ja, weet hij. Altijd bedoelt ze ja.

G.H.

Next Page »