2273952.jpg
Foto: Geert Huysman

De lijn Antwerpen-Gent. Warme lijven, dicht opeengepakt. Voortdenderend bij gratie van de nationale maatschappij. Zurig zweet, de stank van apathie. Nietszeggende gesprekken die ternauwernood het verlangen naar thuis camoufleren. De trein is altijd een beetje lijden.
Links. Een lange Hollander biedt een dame op leeftijd zijn zitplaats aan. Elegant mantelpakje, grijzig kapsel in de vorm van een motorhelm. “Wat galant. U bent nog een echte heer”, zegt ze, tevreden een grote handtas op haar schoot nestelend.
“Ik doe dit alleen voor knappe dames als u”, glimlacht hij.
“En ik ben nog wel overgrootmoeder”, kirt ze.
“Dan bent u beslist ouder dan vijftig. Dat verrast me.”
Ze bloost: “Er staat al heel lang een zeven voor. Vergis u niet.”
Rechts. Twee jonge meisjes. “Moet je horen wat hier staat”, zegt de een, zwaaiend met haar tijdschrift. “Mannen zijn van oudsher jagers, ook en vooral in de liefde.”
Haar vriendin werpt haar een blik vol walging toe. “Moet ik jongens op mij laten jagen? Ik mag er niet aan denken. Ik jaag liever zelf. Eerlijk gezegd, ik doe niets anders.”
Beeld dat zich opdringt aan het geestesoog: meisje wurmt zich bronstig snuivend door een dansende mensenmassa. Haar ogen flitsen in het rond, een geile Diana op zoek naar gewillig mannenvlees.
“Misschien, komt het er gewoon op aan jongens te laten denken dat ze op je jagen”
, zegt de eerste nadenkend.
“Maar natuurlijk”, knikt de geile Diana opgelucht. “Dat is het.”
“Het ene spoorwegstation is hier al troostelozer dan het andere”, zegt de metgezel van de lange Hollander. “Gruwelijk gewoon.”
“Grijs en grauw”, beaamt de lange ernstig. “Dat is België.”
De dame met het motorhelmkapsel knijpt haar lippen samen tot een stijve grimas. Ze heeft haar handtas nog geen moment los gelaten.

G.H.