Stoppen met acteren? Ik val nog liever dood

Het is heel even kantje boordje geweest, maar er is meer nodig dan een hartritmestoornis om Jenny Tanghe in haar vaart te stuiten. Nauwelijks een paar weken na haar ziekenhuisopname is de actrice alweer één brok onstuimige energie. Als een sneltrein ratelt ze erop los , van de hak op de tak springend en tussendoor half bekend Vlaanderen door de mangel halend. Af en toe, na de zoveelste ongezouten mening over een van haar collega’s, werpt ze een quasi-verraste blik op het bandrecordertje. “Oei, staat dat daarop? Je gaat dat toch niet schrijven, hé?” Dan valt ze ineens stil. “Mijn cardioloog wil dat ik stop met acteren”, zegt ze somber. “Maar weet je wat? (schakelt over op het Gents) Ik valle nog liever duud!”

Een interview met Jenny Tanghe verloopt zo volgens zijn eigen regels. Het 77-jarige televisie- en theatermonument vertelt haar verhaal op hààr manier. De vragen die we haar stellen, vindt ze nauwelijks haar aandacht waard. Duidelijk een madam die je moet nemen zoals ze is. We doen dus maar wat alle brave jongens doen: we zwijgen en we luisteren.
“Ik probeer het niet aan mijn hart te laten komen”, grapt ze, “maar het was toch wel even schrikken toen ik begin juli onwel werd op het podium. Ik voerde in Ronse de monoloog Een leven, een carrière op. Het was snikheet in de zaal en ik wist meteen dat er iets niet klopte. Wat ik toen precies voelde, is moeilijk te omschrijven. Ik werd wat ijl in het hoofd, kreeg problemen met de ademhaling en mijn hart sloeg op hol. Oei, ik word niet goed, zei ik. Het publiek dacht dat het onderdeel uitmaakte van de voorstelling en barstte in lachen uit.
Maar de tweede en de derde keer werd er niet meer gelachen. De uitbater van de zaal, een goede vriend van me, stelde me voor om ermee op te houden, maar dat wilde ik niet. Midden in een voorstelling stoppen? Dan kennen ze Jenny Tanghe nog niet!
Na de vertoning wou ik gewoon naar huis gaan, maar een dokter die toevallig in het publiek zat, vond het toch beter dat ik eerst even langs het ziekenhuis ging. Dit is méér dan een onpasselijkheid, zei ze. Nog een geluk dat we haar raad hebben opgevolgd, want eenmaal in het ziekenhuis draaide ik helemaal weg. Mijn hartslag liep op tot 250 en ineens had ik geen pols meer! (slaat met een vuist op tafel) Ze hebben op mijn borstkas moeten bonken om me weer terug te halen…
‘t Was dus inderdaad niet zomaar een onpasselijkheid. Ik bleek een hartritmestoornis te hebben. Dat nieuws kwam, eerlijk gezegd, niet echt als een verrassing. Ik had al eerder tegen Antoine (haar levensgezel, nvdr) gezegd dat ik absoluut ‘ns mijn hart moest laten onderzoeken. Het zit in de familie, weet je. Alle broers en zusters van mijn moeder zijn overleden aan hart- en vaataandoeningen.”
Even zegt ze niets meer. Als volleerd actrice weet ze het ideale moment te kiezen voor een dramatische stilte. “Hoe het nu met mij is?” Een stralende glimlach doet haar expressieve gezicht oplichten. “Ah, perfect, hé!”, roept ze. “Ze hebben me in Aalst, in hetzelfde ziekenhuis waar ook Koning Albert geopereerd is, een pacemaker gegeven. En nu voel ik me weer pico bello. Allez, soms gaat het wel ‘ns wat minder, maar dan schiet dat ding hier in gang (wijst naar de hartstreek) en dan is het direct weer over.
Het was wel even wennen met zo’n machine in je lijf. Vooral in het begin, was ik een beetje bang. Ik vroeg me voortdurend af of die pacemaker zijn werk wel zou doen. Maar intussen ben ik het gewoon. Een tennismakker van Antoine loopt al dertien jaar met een pacemaker rond. Die man tennist als een gek, en hij vertikt het om bij zijn arts op controle te gaan. Waarom zou ik me dan zorgen maken?
Alleen jammer dat ik door die hele toestand de Gentse Feesten heb moeten missen. Niet dat ik niet had kunnen gaan, maar ik zag het gewoon niet zitten om aan iedereen daar tekst en uitleg te moeten geven over mijn gezondheidstoestand. Dus zijn we maar thuis gebleven. Maar volgend jaar ben ik weer op het appel. Als ‘t God belieft, en als die pacemaker van me het uithoudt. Nou ja, als je tijd gekomen is, mag je nog tien pacemakers hebben…”
Een braaf kind
“Weet je wat mijn cardioloog tegen me zei? Dat hij liever zou hebben dat ik stop met optreden. Maar dat gaat zomaar niet! Ik heb geen ezeltje dat geld… Ik moet wat blijven bijverdienen. Antoine en ik hebben een behoorlijk pensioen, maar we moeten schandalig veel belastingen betalen. We zijn daardoor op een bepaald moment echt in de financiële problemen geraakt. Stoppen is dus geen optie voor me. Ik wil het ook niet. Acteren is een ziekte. Ik ben nu al 65 jaar besmet en ik denk niet dat ik er op mijn leeftijd nog vanaf geraak.
Ik weet nog dat ik op mijn twaalfde tegen mijn moeder zei: Ma, ik ga aan het toneel. Dat arme mens schrok zich een bult! Ze had toch maar liever dat ik modiste werd, zei ze. Ik ben het geweest ja, een hele blauwe maandag lang (grinnikt). Moeder had me een betrekking bezorgd in een hoedenzaak in het Gentse. Ik werd daar zot, jong! Lintjes om hoeden doen, hoeden stomen, er elastiekjes in naaien… dat was niets voor mij. Op een dag zei ik tegen de uitbaatster: Madame, ik moest deze morgen een héél dringende brief voor mijn moeder posten en ik ben het toch wel vergeten, zeker. Antwoordt dat mens in al haar naïviteit: Loop dan nu snel even naar de brievenbus. Ze heeft me nooit meer teruggezien (schatert het uit).
Dan ben ik aan het toneel gegaan, ja. Wat mijn moeder daarvan vond? Die had niets te vinden! Ik was een braaf kind, maar je moest me mijn goesting laten doen. Ik had in die tijd een vriendinnetje, Maddy, dat café chantant deed in café De Jazzband in Gent. Ik ging zo vaak ik kon met haar mee. Op de duur mocht ik al ‘ns wat sketches meespelen. Dat was echt de hemel voor mij!
Op een keer kreeg Maddy een rol aangeboden in een stuk van Henri Van Daele. Maar haar personage moest Oostends spreken en dat kon ze niet. Voor mij was dat echter geen probleem, want mijn ouders waren oorspronkelijk van Oostende. Zo ben ik op mijn zestiende aan mijn eerste rol in de Minardschouwburg geraakt.
Pas daarna ben ik aan het conservatorium, en nog later aan de Studio Herman Teirlinck, een toneelopleiding gaan volgen. Tegelijk bereidde ik me ook voor op het middenjury-examen Regentaat Frans-Nederlands. Ja, ik heb heel wat gestudeerd in mijn tijd. Ik kreeg er op de duur zo’n kop van! Nu zou ik dat er niet meer voor over hebben. Acteurs zijn een gemakzuchtig volkje, weet je. We zijn lui, zelfingenomen én ijdel. Als ik zie hoe sommige collega’s tegenwoordig met hun fans omgaan: (trekt een vieze snoet en brult) Laat mij met rust! Dat mogen ze niet doen, vind ik. Je moet altijd vriendelijk blijven tegen de mensen. Wat is een acteur tenslotte zonder zijn publiek?”
Moeder Cent, malcontent
“Nee, ik kán en ik wíl niet stoppen met acteren. Eind deze maand sta ik hier in Sint-Katelijne-Wavere alweer op het podium. Ik ga er o.m. Een leven, een carrière opvoeren en humoristische teksten voorlezen van auteurs als Jos Ghijsen en Simon Carmiggelt. En volgende week starten de repetities voor mijn nieuwe monoloog, Moeder Cent, malcontent. Peter Perceval, de man van Ann Nelissen (en regisseur van De Vaginamonologen, nvdr), doet de regie.”
Moeder Cent, was dat niet de nagel in de doodskist van Pastoor Munte uit Wij, Heren van Zichem? “Klopt, ik kijk er echt naar uit om na 34 jaar nog ‘ns in de huid van die brave zuster te kruipen. De timing is perfect, want de VRT zendt de reeks in oktober opnieuw uit naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de televisie.
Moeder Cent, malcontent is echt een prachtstuk geworden. Frank Van Laecke, die de tekst voor me schreef, kent me dan ook door en door. Het hoofdpersonage verlaat Zichem en gaat in Oostakker-Lourdes haar kap over de haag gooien. Van de wereld om haar heen snapt de zuster niet veel meer. Ze kan bijvoorbeeld maar niet begrijpen waarom men mensen zou willen klonen. Er zijn toch kloons (clowns, nvdr) genoeg op de wereld? (lacht)
Tja, Wij, heren van Zichem, dat was nog ‘ns een fenomeen. Je kan je moeilijk voorstellen wat voor een impact die reeks had. Iedereen keek ernaar. De mensen bleven er zelfs speciaal voor thuis. In Zichem hebben ze nog jaren een Witte-verkiezing gehouden, en wij moesten het hele land rondhotsen om verkleed als onze personages linten door te knippen en schoenzaken te openen.
Op een keer raakte ik, gehuld in het habijt van Moeder Cent, opgesloten in het toilet van een café. Ik begon als een gek om hulp te schreeuwen, want ik heb last van claustrofobie. Niemand leek me te horen en ik raakte steeds meer in paniek. Op de duur heb die deur gewoon uit de hengels geschopt en ben ik tierend en vloekend naar buiten gestormd… recht in de armen van een echte pastoor, die daar toevallig voorbijkwam. Nog nooit een zielenherder zo geschokt zien kijken!”
Ik en mijn grote mond
Jenny’s rijkgevulde acteercarrière omspant 61 jaar en omvat heel wat bekende televisierollen. Wie te jong was voor Wij, Heren van Zichem, kent haar ongetwijfeld nog wel als secretaresse Jenny Vanjes uit De Collega’s, Eveline Bers uit Het Pleintje of Ma DDT uit F.C. De Kampioenen. Allemaal sterke vrouwen die, om het vriendelijk uit te drukken, niet op hun mondje gevallen waren.
“Ik heb nogal wat stoute madammen gespeeld, ja. Dat is vaak het probleem in ons land. Ze vragen je altijd voor dezelfde rol. Een stout wijf nodig? Bel naar Jenny Tanghe! Zo gaat dat. Maar neem nu bijvoorbeeld Ma DDT. In mijn ogen was helemaal geen stout wijf, maar een ferme madam die erg begaan was met haar zoon. Die arme jongen liet zich ook altijd zo in de doeken doen door die Kampioenen, hé.
Ik heb altijd graag aan FC. De Kampioenen meegewerkt. Een leuke groep collega’s was dat. Wist je dat ik vroeger dictieles heb gegeven aan Danni Heylen (Pascalleke)? Ik heb haar ouders destijds nog overtuigd om hun dochter naar het conservatorium te laten gaan.
Vooral Jacques Vermeire had ik graag. Hij was geen acteur en hij was de eerste om dat toe te geven. Jenny, zei hij altijd tegen me, ik moet hier niet te hoog van de toren blazen. Maar hij speelde de rol van DDT erg goed, vond ik.
Toen Jacques naar VTM overstapte, heeft hij nog voorgesteld om mijn personage de garage van DDT te laten overnemen. Dat had ik heel graag gedaan, maar bij de VRT zagen ze dat blijkbaar niet zitten. Ze zijn op de Reyerslaan trouwens boos op me, omdat ik dat verteld heb tijdens de opnames van de special Tien jaar FC De Kampioenen. Ben Crabbé, die het programma presenteerde, zei nochtans tegen me: Jenny, je moet dat zeker niet verzwijgen. En achteraf hebben ze het eruit geknipt. (schouderophalend) Je moet daar zwijgen dat je zweet.
Ik en mijn grote mond, hé. Het wordt me niet altijd in dank afgenomen. Ik heb ooit ‘ns in een interview gezegd dat er bij de cast van Familie maar twee echte acteurs zaten: Karel Deruwe en Guido Horckmans. Ronny Waterschoot, die de reeks toen nog regisseerde, was laaiend! Eigenlijk zou ik zo’n dingen niet mogen zeggen. Ik steek er alleen maar m’n eigen ogen mee uit. Maar weet je, (maakt zich boos) ik zou niet willen dat de mensen zeggen: Is die Jenny Tanghe nu zo stom dat ze dat niet ziet?! Dus neem ik de bluts met de buil en zeg ik gewoon maar wat ik denk.
Toen ik nog in dienst was van het Mechels Miniatuur Theater, had ik het ook voortdurend aan de stok met de gebroeders Verreth. Ach, breek me daarover de bek niet open, anders zitten we hier morgen nog. Het enige dat ik daar over acteren geleerd heb, is hoe je het niet moet doen. Ik heb negen jaar in het MMT gewerkt en ik heb daar welgeteld één productie gedaan waarover ik tevreden was. Voor de rest: niets dan zever. Verder dan De Collega’s zijn ze nooit geraakt. Je moest die twee heren ook voortdurend naar de mond praten, of ‘t was niet goed. Maar niet met mij, hé! Ik gaf ze telkens lik op stuk. En dan waren ze boos op mij.
Op de duur hield ik het daar niet meer uit. Ik kreeg huilbuien, begon thuis met potten en pannen te slaan om me af te reageren. Tot Antoine tegen me zei: Jenny, je moet daar weg.
Ik heb de reputatie een moeilijke actrice te zijn, maar dat zie ik anders. Ik weet gewoon wat ik wil. Dat mag ook wel als je zolang in de stiel zit. Maar ik zal bijvoorbeeld nooit beginnen zeuren over mijn teksten. Ik probeer het altijd te doen met het materiaal dat men mij ter beschikking stelt. Als ik een regisseur echter wat meer uitleg vraag over een bepaalde scène en hij antwoordt: Doe maar wat, dan krijg ik het, hé. Wat had je in gedachten, zeg ik dan, (trekt een paar apensnoeten), zoiets? Tja, dan zeggen ze natuurlijk dat die Jenny Tanghe geen gemakkelijke is.
Bij Jef Desmedt (Jan Van Den Bossche uit Familie) heb ik het ook al verkorven. Een paar jaar geleden liet ik me overhalen om samen met hem in het stuk Regina Madre van Manlio Santinelli te spelen. Na drie weken repeteren kende hij nog geen enkele repliek uit het hoofd. Zo kan je toch niet werken? Dus heb ik gezegd: Sorry jongens, ik doe het niet. Men heeft Jef dan vervangen door een andere acteur. En Jef was kwaad op mij! Maar weet je wat (knipoogt), ik heb daar geen minuut van wakker gelegen.”
Nergens spijt van
“Ik heb heel wat stommiteiten begaan in mijn leven - wie niet, trouwens? - maar ik heb nergens spijt van. Ik begrijp niet dat mensen soms zeggen: Ik wou dat ik twintig jaar terug in de tijd kon gaan met de kennis die ik nu heb. Ik wou dat ik tien jaar terug kon gaan, zonder te weten wat ik nu weet. Dat lijkt me veel spannender.
Nee, ik betreur niets, zelfs niet het feit dat ik nooit kinderen heb gehad. Het is zo gelopen en daar heb ik vrede mee. Mijn carrière ging nu eenmaal altijd voor. (valt even stil) Nee, spijt is tijdverlies.
Het enige dat ik een beetje jammer vindt, is dat ik nooit getrouwd ben met Antoine. We zijn intussen 35 jaar samen. Enkele jaren geleden vonden we het hoog tijd om in het huwelijksbootje te stappen. Noem het een folieke, maar opeens wou ik als mevrouw Balliu door het leven gaan. Toen kwam de fiscus echter stokken in de wielen steken. Bleek dat ik 20.000 frank pensioen moest inleveren als Antoine en ik elkaar het jawoord gaven. Ja zeg, mijn goesting was direct voorbij! Twintigduizend frank per maand voor dat papiertje en een ring? Dat had ik er niet voor over!
Wat de toekomst gaat brengen, weet ik niet. Ik denk niet dat men mij nog een tv-rol zal aanbieden. Het blijft erg stil aan die kant. In oktober gaat de nieuwe monoloog in première. Daar zal ik de komende maanden de handen vol mee hebben. Daarna zie ik wel.”
We kaarten nog wat na over het medium televisie en ze kan het weer niet laten om recht voor de raap haar mening te spuien. “Er is tegenwoordig niet veel meer op de buis waarvan je zegt: Wow, dat is goed! Recht op Recht vond ik een mooie serie. Herman Van Molle zie ik ook graag bezig, maar de rest kunnen ze wat mij betreft inpakken. We hebben ook geen goeie scenarioschrijvers meer, hé. En getalenteerde jonge acteurs krijgen nauwelijks nog een kans. Als men vroeger een personage met een spraakgebrek nodig had, dan liet men een echte acteur die rol vertolken. (hoofdschuddend) Nu plukken ze iemand van de straat die lispelt.
Heb je tussen haakjes al ‘ns naar Baantjer gekeken? Dat lijkt nergens op! Die jongen die Vledder speelt, is een uitstekend acteur, en die rosse is ook niet slecht. Maar die Piet Römer (Decock, nvdr) bakt er niets van. Met dat gezicht tot op de grond… Brrr!”

Tekst: Geert Huysman
Gepubliceerd in Story: 14-08-2003